
De stad lezen door kleur
Ik zie de stad niet als iets dat afgebeeld moet worden. Ik verhoud me ertoe als iets dat gelezen moet worden.
Deze manier van kijken kwam niet voort uit architectuur of stedenbouwkundige theorie. Zij ontstond via literatuur en via kleur. De onzichtbare steden veranderde hoe ik stedelijke ruimte ging begrijpen — niet als een verzameling gebouwen, maar als iets dat bijeengehouden wordt door herinnering, verlangen, tijd en residu. Kandinsky, werkend vanuit een geheel andere positie, hielp verhelderen hoe kleur onafhankelijk van het zichtbare kan bestaan: als een taal gevormd door innerlijke noodzaak in plaats van door representatie.
Mijn werk krijgt vorm waar deze twee denkwijzen elkaar raken.
In mijn schilderijen verschijnt de stad als een oppervlak — een oppervlak dat de sporen draagt die ervaring heeft achtergelaten. Het doel is documentatie noch architectonische nauwkeurigheid. Straten, ramen, huizen en fragmenten van natuur zijn aanwezig, maar ze zijn niet verankerd aan een specifieke plek. Ze werken als contactpunten: plaatsen waar herinnering, waarneming en geleefde ervaring elkaar kruisen. Wat mijn aandacht trekt is zelden de stad als geheel. Het bevindt zich eerder aan de randen — waar licht langs een muur strijkt, waar een raam een oppervlak onderbreekt, waar een subtiele kleurverschuiving de ruimte licht destabiliseert.
Kleur is in deze context niet decoratief. Zij beschrijft de werkelijkheid niet en probeert die niet te verfijnen. Geïnformeerd door Kandinsky’s opvatting van kleur als een kracht met psychologisch en spiritueel gewicht, benader ik kleur als iets actiefs — iets dat ingrijpt in hoe ruimte wordt waargenomen. Kleur absorbeert tijd. Zij draagt herinnering. Zij brengt spanning aan. In plaats van de stad te illustreren, reconstrueert zij die via verhoudingen die instabiel blijven.
Bepaalde vormen keren terug: huizen, straten, verticale structuren, sporen van vegetatie. Toch keren ze nooit onveranderd terug. Herhaling functioneert hier als methode, niet als motief. Ik gebruik haar om te observeren hoe betekenis verschuift wanneer dezelfde vorm onder andere chromatische condities wordt geplaatst. Elke terugkeer verandert de lezing enigszins. Elke variatie laat iets onopgelost.
Dit gevoel van onvoltooidheid probeer ik niet op te lossen. Steden die zich aan afsluiting onttrekken — ruimtes die voorlopig, instabiel, tussen toestanden in aanvoelen — blijven centraal staan in mijn manier van werken. Migratie versterkt dit bewustzijn. Bewegen tussen plaatsen legt bloot hoe fragiel vertrouwdheid kan zijn, en hoezeer thuishoren eerder onderhandeld dan gegeven wordt. Onder die condities functioneert de stad niet langer als een vaste omgeving. Zij wordt een proces, voortdurend herbouwd door waarneming.
In De onzichtbare steden beschrijft Calvino steden die zichzelf niet verklaren. Ze vertellen hun geschiedenis niet; ze dragen die met zich mee. Herinnering verschijnt als sporen, krassen en residuen ingebed in de ruimte. Dit sluit nauw aan bij wat schilderkunst hier kan doen: geen verhaal vertellen, maar lezen wat al is ingeschreven — en die lezing vertalen naar kleur.
Schilderen wordt voor mij een daad van reconstructie in plaats van representatie. Het maakt betrokkenheid bij stedelijke ruimte mogelijk zonder de betekenis vast te leggen. De aanwezigheid van de menselijke figuur is selectief in plaats van constant. Menselijke aanwezigheid blijft vaak indirect — via schaal, ritme, herhaling en chromatische spanning. De stad bewaart wat er doorheen is gegaan, samen met wat er is achtergelaten.
Deze werken willen de stad niet definiëren. Ze benaderen haar als een relationele ruimte — leesbaar in plaats van afbeeldbaar — waar betekenis voorlopig blijft en waar de stad voortdurend opnieuw kan worden samengesteld door kleur.
— Tara Haghi